Onderzoek oud-IRJ’ers beroert de media


cc ©Justin Kern

Oud-IRJ studenten publiceren hun onderzoek in HUMO.

Liesbet Aerts, Rembert Debergh en Anja Rampelberg volgden vorig jaar de IRJ-opleiding. Voor hun portfolio-opdracht namen ze de financiering van de katholieke Kerk in Vlaanderen onder de loep.

Hun onderzoek werd gepubliceerd in Humo. Het kreeg afgelopen zomer ook heel wat weerklank in verschillende andere Vlaamse media.

Lees hun werk hier.

Advertenties

IRJ. Nu ook in Nederland!

Schermafbeelding 2016-06-16 om 10.37.18

Al meer dan tien jaar organiseren Journalismfund.eu en het Fonds Pascal Decroos in samenwerking met Thomas More Hogeschool in Mechelen de postgraduate opleiding Internationale Researchjournalistiek (IRJ). Vanaf academiejaar 2016-’17 komt er een evenknie aan de Fontys Hogeschool in Nederland.

Als onderzoeksjournalist kom je er niet meer zonder een internationale blik, een minimum aan digitale know-how, en een dosis ondernemerschap. De opleiding Internationale Researchjournalistiek richt zich specifiek op die drie domeinen van de moderne onderzoeksjournalistiek.

Tijdens gastcolleges van jonge freelancers en ervaren experts leren studenten gebruik maken van de meest innovatieve methoden in de onderzoeksjournalistiek. Boor via de wet openbaarheid van bestuur als eerste een nieuw arsenaal aan documenten aan. Zoek bronnen en getuigen via sociale netwerken. En welk verhaal vertelt die schatkist aan data die je online vond?

Cross-border onderzoek

Daarnaast werken de studenten onder begeleiding aan een eigen, grensoverschrijdend onderzoeksproject, waarbij ze al doende leren hoe ze een cross-border onderzoek moeten opzetten en van a tot z uitwerken. Het onderzoek wordt uitgevoerd in Vlaams-Nederlandse teams en kijkt specifiek naar onderwerpen met een grensoverschrijdend karakter. De afgelopen twee jaar namen Tom Cochez van Apache.be en onderzoeksjournalist en docent Luuk Sengers de begeleiding van die onderzoeken voor hun rekening.

Lesgevers

Op de lijst van gastdocenten in Mechelen stonden in het verleden onder vele anderen zoekspecialist Henk van Ess, onderzoeksjournaliste Maxie Eckert (De Standaard), visualisator Yordi Dam (LocalFocus), datajournaliste Winny de Jong, freelance buitenlandverslaggever Annabell Van den Berghe, WOB-experts Brenno de Winter en Christoph Meeussen, VRT-correspondenten Jens Franssen en Peter Verlinden, etc. Op dit moment wordt het concrete programma voor komend academiejaar nog samengesteld. Het Nederlandse programma zal er minstens even scherp uitzien.

En concreet?

Interesse? De lessen zijn wekelijks (volgens de academische kalender) op dinsdag- en donderdagavond van 19 tot 22 uur; in Vlaanderen in Mechelen (Thomas More Hogeschool), in Nederland in Utrecht en Tilburg.

De kostprijs voor de opleiding bedraagt €1400, zowel in Vlaanderen als in Nederland. Wie zich kandidaat wil stellen, stuurt een motivatiebrief en cv naar (voor Vlaanderen) rafael.njotea@journalismfund.eu of (voor Nederland) info@luuksengers.nl.

Studenten brengen onderzoeksproject in Knack

11702701_10152887300951817_3480781528757493459_n

Studenten Internationale Researchjournalistiek Fien Van den Steen en Ann-Marie Cordia publiceerden hun onderzoeksjournalistiek afstudeerproject in Knack. Het artikel ‘Clusterhoofdpijn. Als alleen paddo’s en lsd helpen‘ verscheen op 8 juli.

Elk jaar leren de studenten, onder begeleiding van Tom Cochez (Apache.be), hoe ze een onderzoeksjournalistiek project opzetten en van a tot z uitwerken. Bedoeling is om het project uiteindelijk gepubliceerd te krijgen op een Vlaams nieuwsplatform, wat vaak ook lukt. Op de website van het Fonds Pascal Decroos staat een verzameling van de projecten die de media haalden.

Fien Van den Steen en Ann-Marie Cordia volgden de opleiding in het academiejaar 2014-’15.

Docu oud-studente Kaja Verbeke in Vranckx

map

Voormalig studente IRJ Kaja Verbeke verdiept zich, samen met cameravrouw Evy De Ceur en vertaler Iñigo Moure, in de strijd van Mapuche-indianen in Chili voor hun eigen territorium. Het resultaat, Marichiweu Compadre, is op zaterdag 30 mei te zien in Vranckx op Canvas en verscheen als dossier op MO*.

‘Ze beschieten ons met rubberen kogels, vallen ons aan met traangas en ze martelen ons’, zegt Juan Ciriaco Millacheo over de Chileense politie. Hij is niet de enige die klaagt over repressie en overmatig politiegeweld in Chili. ‘Maar we zullen onze strijd niet staken’, voegt hij er vastberaden aan toe.

Ciriaco is een gekende naam in Pidima, een stadje dat een 500-tal kilometer ten zuiden van Santiago ligt. Hij is de leider van een Mapuchegemeenschap die zich erg actief mengt in de strijd die intussen al meer dan tien jaar aan de gang is in Chili. De Mapuche, een inheems volk, hebben een lange en pijnlijke geschiedenis achter de rug die eindigde in het verliezen van hun territorium. Ze proberen hun grondgebied terug te winnen met demonstraties en bezettingen.

Wanneer Kaja, Evy en Iñigo aanbellen bij enkele buurtbewoners, wordt ook de andere kant van dit conflict belicht. Heel wat Mapuche in Pidima blijken zelf geen vreedzame buren te zijn. Grootgrondbezitter Juan De Dios Fuentes werd 200 keer aangevallen. ‘Of er terrorisme is in Pidima vraag je? Ik heb het zelf gezien.’

De cirkel is intussen rond. Elke zijde van het conflict kan een dode tellen in zijn kamp. Iedereen kijkt nu richting de Chileense machthebbers, maar of zij genoeg politieke wil hebben om het tij te keren valt te betwijfelen. In een uitgestrekt en gecentraliseerd land als Chili is het niet moeilijk om regio in het zuiden te negeren…

Marichiweu Compadre op Facebook

Twee onderzoeksprojecten gepubliceerd

3a1d0f20-f6f2-11e3-b88b-3a561ef12445_original

MECHELEN – 2013-’14 is alweer een vruchtbaar academiejaar gebleken voor het postgraduaat Internationale Researchjournalistiek. Twee onderzoeksprojecten werden binnen de maand na afstuderen gepubliceerd, en de kans dat er nog andere volgen is niet gering.

Elk jaar wordt van de studenten verwacht dat ze in groepjes een interessant onderzoeksonderwerp kiezen en daar doorheen het jaar aan werken. Bedoeling van het onderzoeksproject is om de theoretische kennis die de studenten hebben opgedaan in de module Researchjournalistiek in de praktijk te gebruiken. De onderzoeksprojecten worden begeleid door onderzoeksjournaliste Marleen Teugels.

Op 23 juni verscheen in De Standaard het artikel ‘Transseksualiteit is een chronische ziekte‘, van IRJ-studenten Femke van der Zalm, Jente Onraedt en Nicolas Baetens:

Transgenders worden door verzekeringsmaatschappijen vaak gediscrimineerd, omdat ze vaker ziek zouden zijn, of psychisch labiel. Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM) overweegt een rechtszaak.

Ook het tweede project werd gepubliceerd in De Standaard. In ‘Ze behandelen me als een slaaf‘ richten IRJ-studenten Patrick Gijssels, Lisa Develtere en Maria Groot de schijnwerper op au pairs in ons land. Het artikel verscheen op 7 juli 2014.

Als au pair een nieuw land en een nieuwe cultuur leren kennen. Het klinkt aantrekkelijk. Maar velen worden uitgebuit. Zoals de Filipijnse Shyn, die in februari 2014 naar België kwam en na drie maanden uitgeput in elkaar zakte op de badkamervloer van een kasteel in Leuven.

Proficiat aan alle studenten. Wij zijn ervan overtuigd dat er later deze zomer nog meer projecten gepubliceerd zullen worden.

Vorig academiejaar verschenen er ook al twee afstudeerprojecten in de media, m.n. het verhaal van Pakistaanse rozenverkopers in ons land en van koppelbazerij in de bouwsector.

De inschrijven voor volgend academiejaar zijn nu ook geopend. Er zijn nog plaatsen. We laten in totaal 25 mensen toe tot de opleiding. Meer informatie over hoe je je kandidaat kan stellen vind je op www.fondspascaldecroos.org/irj.

Terug naar Bubukwanga

Marijn Sillis was één van de vier studenten Internationale Researchjournalistiek die tijdens het academiejaar 2013-’14 in het kader van de studie naar het buitenland mocht reizen, dankzij het Beyond Your World-programma. Hij koos voor Oeganda en maakte er enkele mooie reportages, waaronder deze over het dorpje Bubukwanga, waar in juli 2013 65.000 Oost-Congolese vluchtelingen toestroomden.

(Dit artikel verscheen eerder op www.joinmagazine.be.)

(c) Marijn Sillis

(c) Marijn Sillis

Juli, 2013. In het oosten van Congo hanteren zowel regeringstroepen als rebellen te enthousiast hun wreedaardige wapens. Binnen een paar dagen wordt het west-Oegandese dorpje Bubukwanga overstelpt door 65.000 ontredderde vluchtelingen. Heel even volgt de wereldpers. Waarna het opnieuw stil wordt.

Hoe zou het nu, acht maanden later, nog zijn in dat dorpje met de melodieuze naam? Tegenover het ziekenhuis, de voorpost van het ogenschijnlijk zo goed als verlaten vluchtelingenkamp, kost een liter vervallen Pepsi één euro. Een jongedame vult plastieken zakjes met door vliegen voorgeproefd mangosap. De locals in hun lemen huisjes met aluminium daken kijken vreemd naar de mzungu, de blanke. Alsof hun ogen zeggen: “Wat kom jij nog doen? Je bent te laat. Alle witten én de vluchtelingen zijn alweer weg.”

Tibamwenda Smith, die vrijwilligerswerk doet namens de Presbytarian Church, arriveert met een Boda Boda, een in deze contreien bekend brommertje. Aan de gammele poort vertelt Smith hoe hij hier enkele maanden terug minstens 60.000 vluchtelingen zag. Om zijn woorden kracht bij te zetten, strekt hij zijn arm uit. “Zo ver het oog reikt, zag je alleen maar mensen, mensen, mensen.” Een ontheemde massa die geholpen moest worden. “Zelf zorgden we voor Bijbels. En soms ook eten.” Smith voegt eraan toe dat sommige Congolezen zo snel en onverhoeds moesten vluchten dat ze Het Boek niet konden meenemen. In het openlucht-ziekenhuis meldt een dokter ons dat je ter betreding van het hospitaal en het kamp toestemming nodig hebt van de kampcommandant.

Dubieuze commandanten

In een belachelijk tentje deelt een dame mee dat de kampcommandant er niet is. Mister Smith begint zuchtend te telefoneren. Niet veel later vraagt een agent ons om tot bij hem te komen. Sergeant Mabonga Francis zegt dat er nog 559 vluchtelingen in Bubukwanga verblijven. En dat hij hier geposteerd is om in hun veiligheid te voorzien. Hij is eerder kortaf, tot we hem de big boss noemen.

Nog een ander nurks figuur wil weten wat onze plannen zijn. Iedereen vraagt naar toestemming uit Kampala. “Laten liggen op het hotel”, is het excuus. Een Belgische perskaart biedt geen soelaas. Er wordt alleen even mee gedraaid. De brombeer zegt: “Uiteraard is informatie hier vrij. Maar als je iedereen zomaar informatie geeft, weet je niet waar het eindigt met al die informatie.” Op de vraag of er een foto van hem genomen mag worden, schudt de sergeant van neen. Dan denkt hij na, terwijl hij het fototoestel in zich opneemt.

– Krijg ik een kopie?
– Tuurlijk. Ik zal je de foto doorsturen via e-mail.
– Ik heb geen e-mail.
– Hoezo?
– Ik ben arm. Ik heb geen e-mailadres.
– Maar jij bent de big boss. Jij beschermt al die mensen hier. Jij moet toch goed betaald worden?
– Neen. Als politieagent krijg je alleen je outfit en je schoenen. Met mijn loon kan ik alleen wat zeep kopen om mijn schoenen te wassen. Soms blijft er iets over voor mijn familie. Van wie zou ik een waardig loon krijgen? De overheid? We beschermen de mensen, zorgen voor balans in de samenleving. En we krijgen niets. Ik ben arm, weet je.

Zo klinkt dat dus, tactvolle tips tot corruptie.

Uiteindelijk arriveert de kampcommandant. Ook hij vraagt naar toestemming uit Kampala. Nadat hij een paar keer zuchtend zijn ogen uitgewreven heeft, zegt hij dat hij wel wat informatie kan delen. Hij geeft andere cijfers dan sergeant Francis. “Of zo’n vluchtelingenstroom in een arm land als Oeganda lastig is? Neen, dat is een kwestie van verantwoordelijkheid. Als jij slechte buren hebt, help je hun kinderen toch ook? Oegandezen zijn een heel genereus en gastvrij volk. Soms té. Je kan hier zelfs informatie krijgen zonder toestemming.” Een lachje kan er niet af. Hij geeft zogezegd de officiële toestemming om het kamp binnen te gaan. Omdat hij speciaal voor ons hierheen gekomen is, dient zijn chauffeur door ons betaald te worden. Zo gaat dat dus, effectief overgaan tot corruptie.

Stinkende kinderen

In een snikhete tent is een roze lapje stof het enige wat een uitgemergelde man bedekt. Aids. Hij is één van de locals in de ziekenboeg. In twee andere UNHCR-tenten liggen zwangere vrouwen en zieke kinderen. Aan de achterkant van het hospitaaltje staan rijen en rijen leegstaande tenten. Houten palen en uitgedroogde aarde. Hier sliepen ruim een half jaar geleden opeengepakte mensen op de grond. Mister Smith zegt dat bijna alle Congolezen doorgestuurd zijn naar een kamp in Kyangwali, een eind verderop. “Het probleem was dat er veel mensen wilden terugkeren toen er nog gevochten werd. Ze gingen het gevaar tegemoet. Voor hun eigen bestwil zijn ze verder weg geposteerd. Het is er beter dan hier. Diegenen die hier nog overblijven zijn vooral zieken, vrouwen en kinderen.”

Twee gigantische speeltuinen hebben de looks van een verlaten manege. Mister Smith heeft het opnieuw over Bijbels. Uit twee kleine tentjes komt lawaai. Zes kinderen liggen op matrassen waarvan de dikke dekens net niet uit zichzelf wegkruipen. Een verzorgd hondenkot ruikt beter. In de tent ernaast tonen Emmanuel (37) en Sorgi (39) ingebeelde lijnen. De drie verschillende vakken vormen de klasjes voor drie leeftijdscategorieën. Achter een zeil liggen afval en twee matrassen. Dit is de woonst van de twee leraars die zelf acht en zeven kinderen hebben en nu de 200 overgebleven jongeren onderwijzen.

Elder Smith deelde in het Engels mee dat het andere vluchtelingenkamp beter is, nu vertelt Emmanuel in het Frans dat al zijn vrienden terugkeren van Kyangwali omdat het gevaarlijker en veel onaangenamer is dan hier. Zelf vinden ze Bubukwanga wel ok. Ze kunnen slapen en leven. Het eten bestaat elke keer opnieuw uit maïs met bonen, maar het kon erger. Misschien zijn achterbuurten in Somalië inderdaad erger.

Drie matrassen en een boom

Uiteindelijk belanden we bij een familie van zeven zussen en broers die pas vorige week gearriveerd zijn. Ze komen uit de buurt van Goma. De waaromvraag krijgt een diffuus antwoord. Het meisje dat zich opwerpt als gesprekspartner praat stil. Volgens een van de loopjongens van de kampcommandant eten deze mensen te weinig. Wat ze hier doen? Niks. Alleen maar zitten. Soms naar een boom wandelen omdat het in de tent te heet wordt. Of ze nog iets in hun bezit hebben? Ze wijst naar de drie matrassen. De zachte klanken uit haar mond galmen ontzettend deprimerend. De woorden troosteloos en meelijwekkend vormen samen de perfecte omschrijving.

Halfgaar van de vermurwende hitte in de meurende tenten wuiven we ter afscheid naar de overblijvers in het kamp. Een paar dagen later stuurt Mister Smith een mail met de melding dat er ruim 200 Congolezen uit het vluchtelingenkamp in Kyangwali verdronken zijn in Lake Albert. Ze wilden alleen maar naar geboortegrond terugkeren.

Deze productie is gemaakt in het kader van het journalistieke trainingsprogramma Beyond Your World en Thomas More Mechelen — Opleiding Journalistiek. Beyond Your World wordt financieel mede mogelijk gemaakt door de Europese Commissie.