Twintig in Rwanda: Een leven na het jaar waarin het land stierf

Anneleen Ophoff was één van de vier studenten Internationale Researchjournalistiek die tijdens het academiejaar 2013-’14 in het kader van de studie naar het buitenland mocht reizen, dankzij het Beyond Your World-programma. Zij trok naar Rwanda en maakte er verschillende reportages, waaronder deze, over jongeren die geboren werden in het jaar net na de genocide.

(Dit artikel verscheen eerder op www.joinmagazine.be.)

Foto (c) Kenzo De Bruyn

Foto (c) Kenzo De Bruyn

Uwigabire (20) “Ik was twee maanden oud toen ik mijn familie verloor. Sindsdien ben ik alleen op de wereld”.

‘Mijn hele familie werd tijdens de volkerenmoord van `94 uitgemoord, meer dan 200 personen. Moeder, vader, tantes, nonkels, grootouders, broers, zussen: allen vielen ze dood neer door een zwaaiende machete of een ander bot werktuig. Ze werden vermoord door hun buren en vrienden, met wie ze de dag ervoor nog een praatje maakten of eten deelden’. ‘Ik werd geboren in een klein dorpje in de buurt van Butare. Nu woon ik al een jaar lang in een tehuis voor jonge vrouwen. In het huis is het rustig. We wonen er zoals in een familie, maar dan eentje dat we zelf gekozen hebben. We koken, eten en kuisen samen. We bouwen op elkaar, we zijn vriendinnen. Het is belangrijk om vriendinnen te hebben. Dat helpt me om vrede te vinden in mijn eenzaamheid. Om plannen te maken en hoop te koesteren. Ik weet niet wat mijn dromen zijn. Ik weet amper wat dromen is. Later wil ik graag een familie hebben, dat wel. Dan ben ik niet meer zo alleen. Enkel een nieuw gezin kan een verloren familie vervangen. Nu moet ik eerst nog een man vinden, natuurlijk’. (lacht een beetje zuur) ‘Soms voel ik me geen persoon. Sommige mensen vertellen me dat ik depressief ben, getraumatiseerd door de genocide. Ik weet alleen wat ik voel. Ik kan niet genieten, blij worden of zelfs maar tevreden zijn. Het verlies van mijn hele familie creëerde een klein monstertje op de bodem van mijn hart dat me steeds weer slecht doet voelen. Ik voel het ook nu nog steeds, waar ik ook ben of wat ik ook doe. Ik kon er lang met niemand over praten, ik vond niemand die zich even eenzaam voelde. Een kind heeft zo veel noden, zoveel vragen. Aan wie kon ik ze stellen?’ ‘Vorig jaar kregen we geschiedenisles. Toen leerden we over de genocide. De restanten van het bloedbad zie en hoor je hier overal. Dat is elke keer weer een confrontatie met mijn eenzaamheid, met mijn verlies. Mijn tante, mijn enig overlevende familielid, vertelde me toen ik zeven was voor het eerst waarom ik alleen was. Mijn familie had niets misdaan. Dat was een opluchting omdat het noch mijn, noch hun schuld was. Ze waren Tutsi. God had hen zo gemaakt, en de regering van toen strafte hen ervoor. Het was ook choquerend, net omdat ze niets misdaan hadden. Ik word er nog steeds kwaad van, elke dag. Ik heb chronische hartzeer’. ‘Ondanks wat ik heb doorstaan, ben ik vriendelijk tegen eender wie, of hij nu Hutu of Tutsi is. De regering probeert ons weer samen te brengen, hoe moeilijk het ook is. Vaak is de vrede en verzoening die je ziet een façade. We spelen een rolletje, we doen maar alsof we het verleden vergeten. We leven samen. We wonen weer samen. We eten samen. Maar ik hoor nog steeds mensen praten over Tutsi’s alsof ze minderwaardig zijn, alsof het dieren zijn. Vrienden op school, mensen in de winkel, … Je vraagt je dan af òf en wanneer het weer zal gebeuren. Dat maakt me bang, ja. Ik heb een diepgewortelde angst voor de toekomst en voor mijn medemens. Hoe kan ik me nog op mijn gemak voelen bij de moordenaars van mijn ouders? Bij de kinderen van die moordenaars? Jaloers, dat ben ik ook, ja. Jaloers op de grote families die zij hebben, het gelukkige gezin waarin ze leven. De moordenaars van mijn ouders zitten in de gevangenis, maar hun familie woont in het mooiste huis van het dorp’. ‘Rwanda moet meer inzetten op psychologische hulp voor de genocideslachtoffers. We moeten ook hun levensonderhoud weer verbeteren. Sommige ouderen sterven nu van de honger, alleen en getraumatiseerd. Die combinatie is onmenselijk. Maar toch denk ik dat het een beetje beter gaat met Rwanda en met mijzelf. Het rouwproces is lang en moeilijk, maar we zijn klaar om eindelijk verder te gaan. Dat ik met jullie praat is er zeker een bewijs van, toch?’


 

Dieudonné (20) ‘Ik denk niet in termen van Hutu of Tutsi. Er is nu vooral een kloof tussen arm en rijk’.

‘Mijn vader was een slechte man. Hij dronk veel en was heel agressief. Hij kocht nooit eten voor ons. Toen ik zes was, wilde hij mijn moeder vermoorden met een machete. Hij mikte op haar hoofd, maar ze kon op tijd haar arm omhoog brengen. De machete maakte een diepe snee in haar pols. De wonde heelde niet goed. Mijn moeder kan haar hand nog steeds niet goed gebruiken. Nu zijn ze gescheiden’. ‘Het kleine huisje waarin we wonen, is van ons. Het is ons enig bezit. Eten en drinken krijgen we vaak van vrienden. Ze komen op bezoek en brengen dan een zak rijst, wat bonen of een nieuw T-shirt. Mijn oudste broer werkt in de bouw. Hij geeft moeder een deel van zijn loon, want zij werkt niet. Ze blijft thuis en zorgt voor ons. Ik probeer haar zoveel mogelijk te helpen in het huishouden. Ze heeft mijn hulp nodig om de afwas te doen en om voor mijn kleine zus te zorgen’. ‘Ik ging naar een internaat in het Zuiden. Het kostte veel geld, maar de schoolkosten werden betaald door een hulporganisatie. Zonder deze beurs had ik waarschijnlijk de middelbare school niet kunnen afmaken. Nu wacht ik op de resultaten van mijn laatste examens. Dat kan wel een jaar duren. Ondertussen vind ik geen werk, want iedereen wil eerst je resultaten zien. Ik ben er zeker van dat ze goed zullen zijn. Ik hoop het tenminste, want met een goed eindresultaat krijg ik een korting op de universiteit. Dan betaal ik maar 1200 US dollar in plaats van 2000. Ondertussen doe ik vaak kleine karweitjes in de bouw of in de schoonmaak’. ‘Werk vinden is niet gemakkelijk. Er is veel werkloosheid, dus zoekt iedereen een baan. Wie een goede job wil, moet een grote familie met een breed netwerk en geld hebben. Je moet een beetje betalen aan je toekomstige werkgever. Meestal doet je vader, nonkel of grootvader dit. Ik heb niemand die dit voor mij kan doen’. ‘Ik voel me Rwandees, niet Tutsi of Hutu. We zijn één. Ik hoorde pas voor het eerst over de genocide toen ik dertien was. Ik luisterde naar moderne muziek en dacht na over de betekenis van de liedjesteksten. Ik stelde me vragen bij de inhoud. Hoe het komt dat ik er toen pas voor het eerst over hoorde? Mijn moeder wilde me vooral beschermen’. ‘Ik werd vlak na de oorlog geboren, dus ik vond de verschillende bevolkingsgroepen nooit raar of gevaarlijk. Toch is er nog ongelijkheid. Er is nu vooral een scheiding tussen arme en rijke mensen. Onze levens zijn te verschillend. Rijke kinderen gaan alleen maar om met andere rijke kinderen en armen met armen. Het is zo triest om te zien hoe sommige mensen meer bezitten dan ze nodig hebben. Ik kan niet eens een nieuw T-shirt kopen. Ik krijg bijvoorbeeld ook geen baan omdat ik nog op mijn resultaat wacht, maar sommige klasgenoten hebben dankzij hun rijke familie al wel werk gevonden. Ik word daar soms kwaad van. Er bestaat zo’n rijke elite in Rwanda, die zichzelf Rwandezen noemen. Maar ze kennen niets van de Rwandese realiteit. Er is veel discriminatie tussen de twee klassen, maar jonge mensen staan nog open voor een debat over de ongelijkheid. We moeten in deze debatten geloven’. ‘Als je verder studeert, word je slimmer. Maar als je werkt, kan je gemakkelijk je eigen leven en dat van je gezin verbeteren. Ik moet beiden combineren of ik zou de universiteit niet kunnen betalen. Ik wil graag economie studeren. Mensen die zich specialiseren in een technisch beroep, vinden sneller werk. Maar ik ben niet sterk of handig. Ik ben goed met cijfers’. ‘Er zijn veel universiteiten. Veel jongeren gaan nu naar de universiteit, maar er is weinig werk voor mensen met een diploma. Ik wil graag in het buitenland gaan werken om het bestuur in andere landen te onderzoeken. Hoe doen ze de dingen? Waarom is het leven beter in het Westen? Hoe kan je een derdewereldland in een voorbeeldland veranderen? Dan wil ik terugkomen om die les in Rwanda toe te passen. Ik wil vernieuwende ideeën importeren uit Westen. Zo zal Rwanda binnen twintig jaar een ontwikkeld land zijn’.


 

Iradukunda (20) ‘Wie zomaar kinderen heeft, beseft vaak pas later dat hij er niet voor kan zorgen’.

‘Mijn moeder was jarenlang ziek. Ze had mentale problemen en zorgde niet goed voor mij. Uiteindelijk stierf ze en bleef ik alleen achter. Ik heb mijn vader nooit gekend. Eerst ging ik naar een tehuis voor wezen. Daar leerden ze me hoe ik met anderen moest samenleven. Toen zochten de maatschappelijk werkers naar andere familieleden. Ze legden contact met mijn tante, die ik maar één keer had gezien. Nu woon ik bij haar, haar man en haar dochters. Ik ben er heel gelukkig’. ‘Vroeger dachten mensen niet na over kinderen hebben. Nu gebruiken meer mensen voorbehoedsmiddelen. Ze willen vooral geen ziektes krijgen, of ongewenst zwanger worden. In het ziekenhuis staan vaak bokalen met gratis condooms. Die bokaal is vijf minuten nadat ze hem er zetten, alweer leeg. Ondertussen praat de regering over ‘family planning’. Dat gaat niet alleen over voorbehoedsmiddelen, maar ook over een duidelijke keuze. Wie besluit om kinderen te krijgen, weet dat hij er ook goed voor kan zorgen. Wie zomaar kinderen heeft, beseft vaak pas later dat hij er geen geld of tijd voor heeft’. ‘Op zaterdag kom ik met andere jongeren samen in een jeugdhuis, Centre Marembo. We praten er met elkaar, maken muziek en dansen. Het zijn de gesprekken, de gedachtewisselingen met leeftijdsgenoten die belangrijk zijn voor mij. Soms zijn er maatschappelijk werkers die ons uitleg geven over het leven. Familie is altijd een belangrijk onderwerp. Seks en het vrouwelijke lichaam zijn twee andere onderwerpen, al lachen veel jongeren er mee. Rwandese jongeren bloeien pas laat open. Trouwen mag pas op je 21ste en ook met seks wachten velen tot deze leeftijd’. ‘Ik heb een speciale ketting, gemaakt uit 30 verschillende parels van papier. Die stellen de vrouwelijke cyclus voor. Gele parels staan voor onvruchtbare dagen van de vrouw. De kleur lijkt een beetje op de zandkleur van de woestijn. Blauwe parels betekenen vruchtbaarheid, net zoals water leven geeft. Rode parels staan voor het bloed in de menstruatie en voor de rode aarde van Rwanda. Daar planten we onze bomen en groenten in. Die zorgen voor nieuw leven’. ‘Aan de ketting hangt een elastiekje. Dat schuif ik elke dag over de volgende parel heen. Zo weet ik waar ik zit in mijn cyclus. Ik heb nog geen vriendje en al helemaal geen seks. (lacht) De ketting leert me vooral omgaan met mijn eigen lichaam. Als ik in mijn rode dagen zit, word ik vaak snel kwaad. Dan voel ik me ook een beetje ziek. Een maatschappelijk werkster vertelde me dat ik dan net meer water moet drinken. Zo zorg ik beter voor mezelf’. ‘De ketting is heel populair in het jeugdhuis, maar andere leeftijdsgenoten weten vaak weinig van het vrouwelijke lichaam. Als ik nu in het jeugdhuis kom, vragen de andere jongeren vaak in welke periode ik zit. Zelfs de jongens! Wanneer ik geërgerd reageer, roepen ze “Pas maar op, ze zit in haar rode dagen”. Soms begroeten ze me en zeggen ze “Jij ziet er stralend uit! Je moet vast in je blauwe dagen zijn”. (lacht) ‘Het is leuk eindelijk met jongens over het vrouwelijke lichaam te kunnen praten. Vroeger wilden jongens je niet zien of aanraken als je je maandstonden had. Dan moest je thuis blijven. Als ik nu aan een jongen vraag om maandverband te gaan halen, doen ze dat zelfs met plezier’. ‘De ketting helpt bij het controleren van je cyclus. Op je onvruchtbare dagen kan je seks hebben zonder kans op zwangerschap. Maar toch zal ik later altijd een condoom gebruiken. Een ketting helpt je natuurlijk niet tegen ziektes. En later wil ik maar twee kinderen, dat is een gezond aantal volgens de regering. Met twee kinderen heb je genoeg tijd en geld om voor je gezin te zorgen. Als mijn man het er niet met eens is, zal ik op hem inpraten tot hij me begrijpt. En die condoom, die komt er pas af wanneer we getrouwd zijn’.


 

Uwimana (20 ‘Een beetje kleermaakster neemt overal lintmeter en pen mee. Ik kom niet buiten zonder’.

‘Mijn moeder liet me na mijn geboorte achter bij mijn vader, die niet met haar wilde trouwen. Zijn nieuwe vrouw behandelde me slecht en dus werd ik weg gestuurd. Mijn grootvader zorgde voor mij. We konden amper de eindjes aan elkaar kopen. We hadden vaak honger, geen propere kleren en geen drinkbaar water. Toch stuurde hij me dapper naar school, maar na het tweede middelbaar kon hij de schoolrekeningen niet meer betalen. Toen kwam ik naar Kigali’. ‘Ik werk nu als kleermaakster bij een coöperatieve. We maken broeken, hemden, shorts. Als kleermaakster moet je proberen om alles te kunnen, want alle klanten zijn verschillend. Sommige willen alleen handtassen en oorbellen. Het liefst maak ik Afrikaanse jurken, smalle en rechte modellen. ‘s Ochtends en ‘s avonds komen buren me thuis bezoeken. Overdag werk ik de hele dag met de andere vrouwen in de coöperatieve.
Samen maken we een hele collectie jurken of broeken, die we dan proberen te verkopen. Soms krijgen we grote bestellingen. Zoals gisteren, toen maakte ik alleen maar stoffen vogels’. ‘Voor ik naar Kigali kwam, had ik nooit over mode nagedacht. Toen ik uit mijn dorp vertrok, had ik geen dromen meer. Ik had mijn studies moeten stopzetten en moest verhuizen. Bij mijn vertrek vertelde mijn tante me over de verschillende cursussen die je hier kan volgen. Ik koos ervoor om me op de naaicursus te focussen. De hele busreis herhaalde ik tegen mijzelf ‘ik word kleermaakster’, ‘ik word kleermaakster’. Ik was vastbesloten het goed te doen. Ik kan me geen ander werk meer inbeelden. Het is mijn droomjob!’ (lacht) ‘Elke zelfrespecterende kleermaakster moet steeds en overal een lintmeter en notitieschriftje in haar tas hebben. Zelfs in de mis! (lacht) Ik sta altijd klaar voor mijn klanten. We hebben geen grote inspiratiebronnen in de mode in Afrika. Ik ken geen grote designers en koop geen magazines. Mode is voor mij een manier van overleven. Het brengt brood op de plank, maar daarom hou ik er net dat beetje meer van’. ‘Als arme werkloze in Rwanda moet je wel een coöperatieve oprichten. Zelf werk vinden is op deze arbeidsmarkt niet gemakkelijk. Er is veel concurrentie en veel werkloosheid. Per maand verdien ik iets meer dan 50.000 Rwandeze franc (50 euro). Dat is amper genoeg om eten te kopen. Ik ben blij met alles wat ik verdien. Het verschil met vroeger is zo groot dat ik niet kan klagen. Deel uitmaken van een coöperatieve is nodig om het financieel te trekken. Toch zijn Rwandezen geen teamplayers, ze denken en werken graag alleen. Ook wij hebben niet het groepsgevoel dat nodig is om er voor de volle 100% voor te gaan. Ik probeer de belangen van de groep voorop te zetten. Als de coöperatieve groeit, groei ik ook als persoon. En hoe beter we boeren, hoe meer nieuwe leden we zullen aantrekken. Dat is positief voor de groei van de coöperatieve. Misschien hebben we op een gegeven moment minder klanten, maar de dag erna staan ze misschien opnieuw aan te schuiven. We hebben nog geen vaste woonst of naaiatelier. We huren en moeten steeds verhuizen. Zolang we geen stabiele uitvalsbasis hebben, is het moeilijk om een vast klantenbestand op te bouwen. We zijn het laatste jaar al drie keer van atelier moeten veranderen’. ‘Mannen werken niet in naaiateliers. Ze houden van zware handenarbeid, zoals huizen bouwen en auto’s herstellen. Van gendergelijkheid heb ik nog nooit gehoord. (lacht) Er bestaat altijd de kans dat je man je niet laat werken, je dromen niet laat naleven’.

Deze productie is gemaakt in het kader van het journalistieke trainingsprogramma Beyond Your World van Thomas More in Mechelen. Beyond Your World wordt financieel mede mogelijk gemaakt door de Europese Commissie en het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s