Terug naar Bubukwanga

Marijn Sillis was één van de vier studenten Internationale Researchjournalistiek die tijdens het academiejaar 2013-’14 in het kader van de studie naar het buitenland mocht reizen, dankzij het Beyond Your World-programma. Hij koos voor Oeganda en maakte er enkele mooie reportages, waaronder deze over het dorpje Bubukwanga, waar in juli 2013 65.000 Oost-Congolese vluchtelingen toestroomden.

(Dit artikel verscheen eerder op www.joinmagazine.be.)

(c) Marijn Sillis

(c) Marijn Sillis

Juli, 2013. In het oosten van Congo hanteren zowel regeringstroepen als rebellen te enthousiast hun wreedaardige wapens. Binnen een paar dagen wordt het west-Oegandese dorpje Bubukwanga overstelpt door 65.000 ontredderde vluchtelingen. Heel even volgt de wereldpers. Waarna het opnieuw stil wordt.

Hoe zou het nu, acht maanden later, nog zijn in dat dorpje met de melodieuze naam? Tegenover het ziekenhuis, de voorpost van het ogenschijnlijk zo goed als verlaten vluchtelingenkamp, kost een liter vervallen Pepsi één euro. Een jongedame vult plastieken zakjes met door vliegen voorgeproefd mangosap. De locals in hun lemen huisjes met aluminium daken kijken vreemd naar de mzungu, de blanke. Alsof hun ogen zeggen: “Wat kom jij nog doen? Je bent te laat. Alle witten én de vluchtelingen zijn alweer weg.”

Tibamwenda Smith, die vrijwilligerswerk doet namens de Presbytarian Church, arriveert met een Boda Boda, een in deze contreien bekend brommertje. Aan de gammele poort vertelt Smith hoe hij hier enkele maanden terug minstens 60.000 vluchtelingen zag. Om zijn woorden kracht bij te zetten, strekt hij zijn arm uit. “Zo ver het oog reikt, zag je alleen maar mensen, mensen, mensen.” Een ontheemde massa die geholpen moest worden. “Zelf zorgden we voor Bijbels. En soms ook eten.” Smith voegt eraan toe dat sommige Congolezen zo snel en onverhoeds moesten vluchten dat ze Het Boek niet konden meenemen. In het openlucht-ziekenhuis meldt een dokter ons dat je ter betreding van het hospitaal en het kamp toestemming nodig hebt van de kampcommandant.

Dubieuze commandanten

In een belachelijk tentje deelt een dame mee dat de kampcommandant er niet is. Mister Smith begint zuchtend te telefoneren. Niet veel later vraagt een agent ons om tot bij hem te komen. Sergeant Mabonga Francis zegt dat er nog 559 vluchtelingen in Bubukwanga verblijven. En dat hij hier geposteerd is om in hun veiligheid te voorzien. Hij is eerder kortaf, tot we hem de big boss noemen.

Nog een ander nurks figuur wil weten wat onze plannen zijn. Iedereen vraagt naar toestemming uit Kampala. “Laten liggen op het hotel”, is het excuus. Een Belgische perskaart biedt geen soelaas. Er wordt alleen even mee gedraaid. De brombeer zegt: “Uiteraard is informatie hier vrij. Maar als je iedereen zomaar informatie geeft, weet je niet waar het eindigt met al die informatie.” Op de vraag of er een foto van hem genomen mag worden, schudt de sergeant van neen. Dan denkt hij na, terwijl hij het fototoestel in zich opneemt.

– Krijg ik een kopie?
– Tuurlijk. Ik zal je de foto doorsturen via e-mail.
– Ik heb geen e-mail.
– Hoezo?
– Ik ben arm. Ik heb geen e-mailadres.
– Maar jij bent de big boss. Jij beschermt al die mensen hier. Jij moet toch goed betaald worden?
– Neen. Als politieagent krijg je alleen je outfit en je schoenen. Met mijn loon kan ik alleen wat zeep kopen om mijn schoenen te wassen. Soms blijft er iets over voor mijn familie. Van wie zou ik een waardig loon krijgen? De overheid? We beschermen de mensen, zorgen voor balans in de samenleving. En we krijgen niets. Ik ben arm, weet je.

Zo klinkt dat dus, tactvolle tips tot corruptie.

Uiteindelijk arriveert de kampcommandant. Ook hij vraagt naar toestemming uit Kampala. Nadat hij een paar keer zuchtend zijn ogen uitgewreven heeft, zegt hij dat hij wel wat informatie kan delen. Hij geeft andere cijfers dan sergeant Francis. “Of zo’n vluchtelingenstroom in een arm land als Oeganda lastig is? Neen, dat is een kwestie van verantwoordelijkheid. Als jij slechte buren hebt, help je hun kinderen toch ook? Oegandezen zijn een heel genereus en gastvrij volk. Soms té. Je kan hier zelfs informatie krijgen zonder toestemming.” Een lachje kan er niet af. Hij geeft zogezegd de officiële toestemming om het kamp binnen te gaan. Omdat hij speciaal voor ons hierheen gekomen is, dient zijn chauffeur door ons betaald te worden. Zo gaat dat dus, effectief overgaan tot corruptie.

Stinkende kinderen

In een snikhete tent is een roze lapje stof het enige wat een uitgemergelde man bedekt. Aids. Hij is één van de locals in de ziekenboeg. In twee andere UNHCR-tenten liggen zwangere vrouwen en zieke kinderen. Aan de achterkant van het hospitaaltje staan rijen en rijen leegstaande tenten. Houten palen en uitgedroogde aarde. Hier sliepen ruim een half jaar geleden opeengepakte mensen op de grond. Mister Smith zegt dat bijna alle Congolezen doorgestuurd zijn naar een kamp in Kyangwali, een eind verderop. “Het probleem was dat er veel mensen wilden terugkeren toen er nog gevochten werd. Ze gingen het gevaar tegemoet. Voor hun eigen bestwil zijn ze verder weg geposteerd. Het is er beter dan hier. Diegenen die hier nog overblijven zijn vooral zieken, vrouwen en kinderen.”

Twee gigantische speeltuinen hebben de looks van een verlaten manege. Mister Smith heeft het opnieuw over Bijbels. Uit twee kleine tentjes komt lawaai. Zes kinderen liggen op matrassen waarvan de dikke dekens net niet uit zichzelf wegkruipen. Een verzorgd hondenkot ruikt beter. In de tent ernaast tonen Emmanuel (37) en Sorgi (39) ingebeelde lijnen. De drie verschillende vakken vormen de klasjes voor drie leeftijdscategorieën. Achter een zeil liggen afval en twee matrassen. Dit is de woonst van de twee leraars die zelf acht en zeven kinderen hebben en nu de 200 overgebleven jongeren onderwijzen.

Elder Smith deelde in het Engels mee dat het andere vluchtelingenkamp beter is, nu vertelt Emmanuel in het Frans dat al zijn vrienden terugkeren van Kyangwali omdat het gevaarlijker en veel onaangenamer is dan hier. Zelf vinden ze Bubukwanga wel ok. Ze kunnen slapen en leven. Het eten bestaat elke keer opnieuw uit maïs met bonen, maar het kon erger. Misschien zijn achterbuurten in Somalië inderdaad erger.

Drie matrassen en een boom

Uiteindelijk belanden we bij een familie van zeven zussen en broers die pas vorige week gearriveerd zijn. Ze komen uit de buurt van Goma. De waaromvraag krijgt een diffuus antwoord. Het meisje dat zich opwerpt als gesprekspartner praat stil. Volgens een van de loopjongens van de kampcommandant eten deze mensen te weinig. Wat ze hier doen? Niks. Alleen maar zitten. Soms naar een boom wandelen omdat het in de tent te heet wordt. Of ze nog iets in hun bezit hebben? Ze wijst naar de drie matrassen. De zachte klanken uit haar mond galmen ontzettend deprimerend. De woorden troosteloos en meelijwekkend vormen samen de perfecte omschrijving.

Halfgaar van de vermurwende hitte in de meurende tenten wuiven we ter afscheid naar de overblijvers in het kamp. Een paar dagen later stuurt Mister Smith een mail met de melding dat er ruim 200 Congolezen uit het vluchtelingenkamp in Kyangwali verdronken zijn in Lake Albert. Ze wilden alleen maar naar geboortegrond terugkeren.

Deze productie is gemaakt in het kader van het journalistieke trainingsprogramma Beyond Your World en Thomas More Mechelen — Opleiding Journalistiek. Beyond Your World wordt financieel mede mogelijk gemaakt door de Europese Commissie.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s